Column Cees Smit | Notaris

COLUMN JULI – DE MINISTER(STAATSSECRETARIS) KOMT TOT INKEER, ALTHANS IN 2019

Sommige regelgeving is niet uit te leggen aan een cliënt en de onderstaande situatie is daar één van.

Misschien kunt zich nog herinneren dat ik in één van mijn eerdere bijdragen onder naam: “MOOIER KUNNEN WE HET NIET MAKEN, ZEGT DE BELASTINGDIENST”, melding maakte van het fenomeen dat er belastingrente verschuldigd kan zijn ondanks dat de aangifte binnen de daarvoor geldende termijn was gedaan.

Ter herinnering herhaal ik nog maar de relevante passages:

”      Als iemand overlijdt, hebben de nabestaanden tijd nodig om dit te verwerken en de zaken weer een beetje in beeld te hebben, echter tijd is fiscaal gezien één van de valkuilen bij de afwikkeling van een nalatenschap.

        Want vanaf de datum van het overlijden gaat een fiscale klok lopen. Over een verkrijging uit een nalatenschap is namelijk erfbelasting verschuldigd. Althans als de verkrijging groter is dan de vrijstelling.

        Binnen een paar weken krijgt een nabestaande al bericht van de belastingdienst.

       De aangifte voor de erfbelasting moet gedaan worden 8 maanden na het overlijden. Deze mededeling is een beetje misleidend, want eigenlijk staat hier dat de belastingdienst rente gaat berekenen na 8 maanden.

       De reden hiervan is een nogal geniepige regeling in de belastingwetgeving.

       Voor het inrekening brengen van rente door de belastingdienst is namelijk niet de datum van betalen bepalend, maar de datum die op de aanslag staat en dan moeten daar 6 weken bijgeteld worden.

       Door deze toch wel bijzondere regeling kan het voorkomen dat er al, voordat de termijn van 8 maanden is verstreken, rente door de belastingdienst in rekening wordt gebracht. De zogenaamde belastingrente.

Of zoals de belastingdienst zelf stelt:

“      Wij berekenen rente vanaf 8 maanden na het overlijden tot 6 weken na de datum van de aanslag, maar niet langer dan 19 weken na ontvangst van uw aangifte als wij niet afwijken van uw aangifte.

       Wij ontvangen uw aangifte op 15 maart 2017. Wij wijken niet af van uw aangifte, maar we doen er wat langer dan gebruikelijk over om uw aanslag vast te stellen. Daardoor krijgt u een aanslag erfbelasting met de datum 1 oktober 2017

       Toch berekenen wij geen belastingrente, want u hebt meer dan 19 weken vóór het verstrijken van die 8 maanden aangifte gedaan. Als wij niet afwijken van uw aangifte mogen wij maximaal 19 weken belastingrente berekenen over de aanslag.”

Vanochtend werd ik aangenaam verrast door de mededeling, dat de staatssecretaris heeft aangegeven dat bovengemelde regeling onwenselijk is en dat hij van plan is om in het Belastingplan 2019 maatregelen op te nemen waardoor geen belastingrente is verschuldigd indien binnen de aangiftetermijn aangifte is gedaan en de aanslag dien overeenkomstig wordt vastgesteld.

Dus let wel het is een voornemen en nog geen vaststaand feit, maar naar mijn mening toch wel belangrijk genoeg om te vermelden.

Roeda Netwerk Notarissen
www.roedanotaris.nl | 0255-547547


COLUMN JUNI – DE NIET AANWEZIGE VERKLARING VAN ERFRECHT

Regelmatig worden we bij overdrachten van woonhuizen uit de nalatenschap van een langstlevende ouder geconfronteerd met de situatie dat er bij het eerste overlijden om allerlei redenen geen verklaring van erfrecht is opgemaakt.

De redenen kunnen allerlei zijn. De meest gehoorde is, dat alles toch tegenwoordig voor de langstlevende is en daardoor is een verklaring van erfrecht toch overbodig. Helaas de juridische werkelijkheid is anders.

Een voorbeeld, ter illustratie.

Man en vrouw zijn getrouwd, voor 1 januari 2018, in gemeenschap van goederen en zij zijn de eigenaars van een woonhuis. Helaas komt één van beiden te overlijden. De langstlevende heeft allerlei zorgen aan zijn hoofd en uiteraard is niet zijn eerste gedachte, dat er contact met een notaris moet worden gezocht. Bij de verdere afwikkeling van de nalatenschap is er geen enkele instantie die om een verklaring van erfrecht vraagt. Er wordt dan ook geen verklaring van erfrecht opgesteld.

Jaren later komt de langstlevende te overlijden en laat als erfgenamen na de kinderen. De kinderen vragen aan de notaris een verklaring van erfrecht in verband met het overlijden van de langstlevende. Omdat geen van de kinderen interesse heeft in het ouderlijk huis wordt besloten tot verkoop. De kinderen komen bij de makelaar en overleggen de verklaring van erfrecht en het huis wordt in de verkoop gezet. Al snel meldt zich een koper en de koopovereenkomst wordt gesloten.

De notaris, die de koopovereenkomst heeft ontvangen, meldt zich bij de kinderen met de opmerking dat hij graag een verklaring van erfrecht wil hebben in verband met het overlijden van de eerste ouder. De kinderen zijn verbaasd en verwijzen naar de makelaar want die heeft toch de verklaring van erfrecht. Alleen ziet die verklaring van erfrecht op het overlijden van de langstlevende en niet op het overlijden van de eerste ouder. Kinderen boos op de notaris en op de makelaar.

Wat is hier nu juridisch gebeurd.

De ouders waren gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij het overlijden van één van hen wordt de huwelijksgemeenschap ontbonden. Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort de nalatenschap van de eerst overleden ouder. De veronderstelling dat alles voor de langstlevende is, zal in de meeste gevallen kloppen, maar dat hoeft niet altijd. Iedereen kan een testament maken en gehuwde partners kunnen elkaar ook onterven of op een andere wijze een andere vererving tot stand brengen.

De enige manier om hierin uitsluitsel te geven is door middel van een verklaring van erfrecht. De notaris geeft in de verklaring van erfrecht zekerheid over de vererving. Een verklaring van erfrecht kan tevens worden verwerkt in het Kadaster, zodat ook in het Kadaster op juiste tenaamstelling staat vermeld. Als dit was gebeurd dan was er geen probleem ontstaan bij de overdracht van de woning bij het overlijden van de langstlevende. Kortom bij een overlijden is het noodzakelijk om een verklaring van erfrecht aan te vragen bij een notaris, zeker is dat het geval als er een huis tot het vermogen behoort.

Het had de kinderen een behoorlijke frustratie kunnen besparen, niet de kosten want uiteindelijk betalen zij de kosten voor de verklaring van erfrecht alsnog. Want de verkoop kan wel kosten koper zijn, maar als aan de kant van de verkoper problemen opkomen, dan zijn dit kosten die ten laste van de verkoper komen.


COLUMN APRIL – DE NIEUWE BEPERKTE GEMEENSCHAP OF TOCH MAAR NIET

Misschien hebt u het meegekregen maar sinds 1 januari 2018 is er een nieuw huwelijksvermogensrecht van kracht geworden. In plaats van de algehele gemeenschap van goederen trouwt men nu standaard in een beperkte gemeenschap van goederen. De wet zou volgens de initiatiefnemers beter aansluiten bij de tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen, ook zou dit stelsel vanuit het notariaat worden ondersteund.

De reden was:

– dat in bijna alle testamenten een uitsluitingsclausule wordt opgenomen
– dat in huwelijkse voorwaarden vaak een finaal verrekenbeding wordt opgenomen
– dat het gezien het aantal echtscheidingen verstandig is om een zekere scheiding aan te brengen.

De wetgever heeft hierop de beperkte gemeenschap van goederen geïntroduceerd, waardoor na een huwelijk de verkrijgingen krachtens erfrecht, schenking en datgene wat men had voor het huwelijk privé blijven.

Dit laatste zou bij echtscheiding een uitkomst zijn, alleen dan moet wel duidelijk zijn wat iemand heeft bij het aangaan van het huwelijk. Probleem daarbij is dat ik, met uitzondering van de mensen die huwelijkse voorwaarden opmaken, nog nooit iemand ontmoet, die zich bij het aangaan van het huwelijk bezig houdt met het vastleggen van zijn bezittingen en schulden op dat moment.
Als dat niet duidelijk is, dan zal de nieuwe wet bij een echtscheiding niets oplossen. Dus voor de theorie een mooie wet, maar in de praktijk zal het niets veranderen aan de procedures over het wel of niet vallen in de gemeenschap.

Voor wat betreft de argumentatie het finaal verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden.
In huwelijkse voorwaarden is inderdaad vaak een finaal verrekenbeding opgenomen, maar dan een finaal verrekenbeding, die alleen werkt bij overlijden en niet bij echtscheiding. Nu kan het natuurlijk zijn dat mijn cliënten wat anders zijn dan de gemiddelde Nederlander, hoewel ik ook niet zou weten wat een gemiddelde Nederlander is.

Terug naar de nieuwe wet. Als men wil afwijken van het wettelijk systeem dan moet men huwelijkse voorwaarden maken. Dus als men naar de algehele gemeenschap van goederen wil gaan dan moet je naar de notaris om huwelijkse voorwaarden te maken. Dat was voor de inwerking van de nieuwe wet al van het geval en dat is nu nog steeds.

In verband met de recentelijk door de wetgever voorgestelde wijziging lijkt het echter alsof er geen grote behoefte bij de bevolking is geweest aan een wijziging van de algehele gemeenschap van goederen in een beperkte gemeenschap van goederen. Want normaal gesproken ga je niet, nauwelijks 3 maanden na de invoering van het nieuwe wettelijke systeem, de wet wijzigen en een keuzemogelijkheid introduceren. Met deze keuzemogelijkheid kan men bij de ambtenaar een keuze maken voor algehele gemeenschap van goederen of beperkte gemeenschap van goederen. De argumentatie is toch een beetje vreemd want volgens de wetgever worden met deze mogelijkheid “dure notariskosten in verband met huwelijksvoorwaarden ” vermeden.

Maar dan komt het vreemde; als men uitleg wil over het verschil tussen de beperkte gemeenschap van goederen en de algehele gemeenschap van goederen, dan kan de ambtenaar verwijzen naar de notaris. Dit laatste lijkt mij dan toch wel strijdig met de argumentatie voor het instellen van de keuze mogelijkheid.

Klaarblijkelijk is de wet ingevoerd zonder dat daarvoor een groot draagvlak was onder de bevolking, want iets anders kan ik niet bedenken. De wetgever moet recentelijk gedacht hebben: “Verzin een list”, want toegeven dat er een fout is gemaakt is niet het sterkste punt bij de wetgever. Dus dan open je de keuzemogelijkheid bij de ambtenaar, maar om veel vragen te voorkomen geef je een drogreden.

De wetgever zou het ook anders kunnen oplossen. Namelijk de wet die op 1 januari 2018 in werking is getreden weer intrekken. Maar ja, dan geef je het eigen falen wel heel erg toe, dus dan maar de drogreden, dat doet het beter.


COLUMN MAART – HET RECHTSGEVOEL IN DE KNEL of wel

“HELP! Ik heb een gevolmachtigde benoemd in mijn levenstestament en deze is tevens een gemachtigde bankpas-houder, maar de gevolmachtigde is of komt in de bijstand

De bovenstaande titel zal bij velen van u een gevoel geven van: waar gaat dit nu weer over?

Maar recentelijk zijn er rechterlijke uitspraken geweest in verband met dergelijke situaties en de uitkomsten geven een schokkend beeld, dat een afbreuk doet aan het rechtsgevoel.

Kortweg de vergelijkbare situaties:

een kind/bijstandsgerechtigde kon als gemachtigde met een bankpas, zonder beperkingen, beschikken over de rekening van diens demente ouder of had een en/of rekening met een ouder en was als gevolmachtigde aangewezen in een levenstestament.

Het verweer van de betrokkenen, dat de gevolmachtigde niet gerechtigd was het saldo van de bankrekening voor eigen gebruik aan te wenden werd door de rechter terzijde geschoven.

Eén van de betreffende zaken is voorgelegd aan de Rechtbank Midden-Nederland en deze heeft een uitspraak gedaan met de volgende strekking:

Volgens de rechter is de uitkeringsinstantie bevoegd om de bijstandsuitkering terug te vorderen van iemand die als gevolmachtigde de beschikking had over de bankrekening van diens ouders. Juridisch gezien werd daarmee het hele tegoed op die rekening een bestanddeel van het vermogen van het kind die een bijstandsuitkering genoot. Het kind had dus moeten leven van het geld van diens ouders.

In een vergelijkbare zaak besliste de Centrale Raad van Beroep tot intrekking van de bijstandsuitkering.

Juridisch zal het wel kloppen, maar als ik er als mens naar kijk, bekruipt mij toch het gevoel van: “de wetgever is de weg kwijt”.

In het Engels is daarvoor een mooie term: Legally right, but morally wrong?

Volgens mij maakt een volmacht iemand nog niet tot een eigenaar. Het feit dat iemand over een bankrekening kan beschikken maakt de betreffende persoon nog geen eigenaar van de bankrekening. Als het al had moeten worden gemeld aan de betreffende instantie, dan had de gevolmachtigde moeten aangegeven dat hij wel gemachtigd was maar dat de eigendom van het saldo aan de ouder toebehoord. In belastingzaken is dit al jaren een goed gebruik.

Als je er naar kijkt lijkt het erop dat de overheid aanzet tot het plegen van een misdrijf.

Moet de overheid er zelf niet voor te zorgen dat de wetten en regels zoveel mogelijk aansluiten bij het rechtsgevoel van de burgers? Ik begrijp dat dat niet in alle gevallen kan, maar ik denk dat de overheid hier toch een punt kan scoren bij het terugwinnen van het veelgehoorde verloren vertrouwen van de burgers in de overheid


COLUMN DECEMBER – NOGMAALS HET VERGETEN TESTAMENT OF DE VERGETEN NALATENSCHAP

In het begin van het jaar heb ik een stuk geschreven over het vergeten testament of de vergeten nalatenschap, maar ook dit jaar ben ik toch weer geconfronteerd geworden met hetzelfde probleem, vandaar dat ik hier nog een keer aandacht aan schenk.

De casus is iedere keer gelijk en de gevolgen zijn ook iedere keer pijnlijk voor de betrokkenen.

Mensen leven langer en de kans dat iemand na het overlijden van zijn partner een nieuwe partner tegenkomt is dan ook groter. Dit hoeft geen probleem te zijn, als men zich goed laat voorlichten en daardoor de consequenties onder ogen krijgt.

Een praktijk voorbeeld

Man en vrouw zijn getrouwd en hebben twee kinderen. Vrouw is op jonge leeftijd overleden. Zij heeft destijds een zogenaamd langstlevende testament gemaakt, een ouderlijke boedelverdeling, waarbij alle goederen in eigendom overgaan naar haar man en de kinderen een rentedragende vordering (6% per jaar) krijgen op de langstlevende ter grootte van hun erfdeel. De vordering van de kinderen (te vermeerderen met de rente) is niet eerder opeisbaar dan, onder andere, bij het overlijden van de man.

Deze zogenaamde ouderlijke boedelverdeling is sinds 2003 in de wet opgenomen als de wettelijke verdeling en tegenwoordig het wettelijk systeem.

Na het overlijden van de vrouw is de notaris gevraagd om een verklaring van erfrecht op te stellen, omdat de verzekeringsmaatschappij en de bank dit wilden. De notaris heeft geadviseerd om de vorderingen van de kinderen te laten vastleggen, maar daar is vanaf gezien. Meestal gebeurt dit met de gedachte: ”ach, het zal wel zo’n vaart niet lopen en de notaris probeert natuurlijk de schoorsteen te laten roken”. De aangifte van de erfbelasting is vervolgens gedaan door de belastingman of de boekhouder. De aanslag erfbelasting is betaald en men is verder gegaan met leven.

Man ontmoet na een aantal jaren een nieuwe partner en besluit hiermee te gaan trouwen, uiteraard in gemeenschap van goederen, na 1 januari 2018, de beperkte gemeenschap van goederen, maar dit maakt voor de rest van het verhaal geen verschil, want men houdt ten slotte van elkaar en een gesprek bij de notaris is duur en daarom niet gewenst. Na het huwelijk wordt het nieuwe echtpaar er nog wel op gewezen om een testament te maken en besluit dat ook te doen. Maar dit moet wel tegen het laagste tarief. Het echtpaar maakt een “standaard” langstlevende testament, ongeveer gelijk aan het eerdere testament. Over het eerdere overlijden van de eerste vrouw van de man wordt niet gesproken.

De man overlijdt 10 jaar na het maken van het testament. De “nieuwe” vrouw, tezamen met de kinderen van de man, gaat voor een verklaring van erfrecht naar een andere notaris.

Bij notaris neemt het gesprek al gauw een onplezierige wending. Want de kinderen van de man stellen de vrouw en de notaris de vraag hoe het zit met de vordering in verband met overlijden van hun moeder. En hier wordt de vrouw geconfronteerd met wat ik noem: het probleem van de tikkende tijdbom. In de nalatenschap van de man zit namelijk ook nog de vordering van de kinderen, die opeisbaar is geworden door het overlijden van hun vader. Tijdens het leven van vader was die er ook al maar niemand had het door en de nieuwe vrouw, die wist van niets. De hoogte van de vordering, inclusief de rente, moet alsnog worden vastgesteld en langstlevende heeft het probleem dat de vordering betaald moet worden.

Belangrijk is dus dat de nieuwe vrouw bekend is met de hoogte van de vorderingen van de kinderen uit het eerste huwelijk. Want dan kan zij bewust een keuze maken, aanvaarden, verwerpen, aanvaarden onder het voorrecht van boedelbeschrijving of zelfs de wettelijke verdeling ongedaan maken en wordt zij niet geconfronteerd met de vergeten nalatenschap van de eerste vrouw.

Kortom als u in een vergelijkbare situatie zit, dan moet u zich goed laten voorlichten door een notaris. Dat kost wel geld, maar het voorkomt dat men er bij het overlijden onverwachts mee wordt geconfronteerd. Ook hier geldt: goedkoop is vaak duurkoop.


COLUMN OKTOBER – MOOIER KUNNEN WE HET NIET MAKEN, ZEGT DE BELASTINGDIENST

Als iemand overlijdt, hebben de nabestaanden tijd nodig om dit te verwerken en de zaken weer een beetje in beeld te hebben, echter tijd is fiscaal gezien één van de valkuilen bij de afwikkeling van een nalatenschap. Want vanaf de datum van het overlijden gaat een fiscale klok lopen. Over een verkrijging uit een nalatenschap is namelijk erfbelasting verschuldigd. Althans als de verkrijging groter is dan de vrijstelling. Binnen een paar weken krijgt een nabestaande al bericht van de belastingdienst.

De aangifte voor de erfbelasting moet gedaan worden 8 maanden na het overlijden. Deze mededeling is een beetje misleidend, want eigenlijk staat hier dat de belastingdienst rente gaat berekenen na 8 maanden. De reden hiervan is een nogal geniepige regeling in de belastingwetgeving. Voor het inrekening brengen van rente door de belastingdienst is namelijk niet de datum van betalen bepalend, maar de datum die op de aanslag staat en dan moeten daar 6 weken bijgeteld worden. Door deze toch wel bijzondere regeling kan het voorkomen dat er al, voordat de termijn van 8 maanden is verstreken, rente door de belastingdienst in rekening wordt gebracht. De zogenaamde belastingrente.

Een voorbeeld:

Uw naaste is op 1 januari overleden. De belastingdienst brengt pas rente in rekening na 1 september. Tot zover lijkt het eenvoudig te zijn.

De aangifte wordt gedaan op 15 juli. De belastingdienst legt een aanslag op met dagtekening 22 augustus. De aanslag wordt op 23 augustus voldaan. De belastingdienst brengt vervolgens toch belastingrente in rekening, want bij 22 augustus worden 6 weken geteld. Dan komen we op 3 oktober en dat is later dan 1 september, dus de belastingdienst gaat belastingrente berekenen. De belastingrente bedraagt momenteel 4%, dus dat kan behoorlijk oplopen. De termijn waarover rente wordt berekend wel is begrensd op 19 weken na ontvangst van de aangifte.

De belastingdienst stelt zelf het navolgende, bij hetzelfde voorbeeld:

Wij berekenen rente vanaf 8 maanden na het overlijden tot 6 weken na de datum van de aanslag, maar niet langer dan 19 weken na ontvangst van uw aangifte als wij niet afwijken van uw aangifte. Wij ontvangen uw aangifte op 15 maart 2017. Wij wijken niet af van uw aangifte, maar we doen er wat langer dan gebruikelijk over om uw aanslag vast te stellen. Daardoor krijgt u een aanslag erfbelasting met de datum 1 oktober 2017. Toch berekenen wij geen belastingrente, want u hebt meer dan 19 weken vóór het verstrijken van die 8 maanden aangifte gedaan. Als wij niet afwijken van uw aangifte mogen wij maximaal 19 weken belastingrente berekenen over de aanslag.”

Deze rekensom is niet bij iedereen bekend, maar het kan lonen als men meer dan 19 weken voor het verstrijken van de 8 maanden termijn de aangifte indient, dus ongeveer 3 maanden na het overlijden.


COLUMN AUGUSTUS – HUWELIJKSE VOORWAARDEN IN DE WET OF TOCH NIET ( DEEL IV )

In mijn vorige bijdrage heb ik in grote lijnen de regels van verhaal privéschuldeisers op huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap behandeld. Vandaag begin ik met het in kaart brengen van:

Verhaal gemeenschapsschuldeisers op goederen huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap

De nieuwe wet biedt als nieuwigheid een aanwijsrecht voor schulden die in de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap vallen.

Een schuldeiser voor gemeenschapsschulden kan verhaal zoeken op de eigen goederen van één van de echtgenoten. Maar de betreffende echtgenoot  kan dan aan de gemeenschapsschuldeiser goederen van de gemeenschap aanwijzen die voldoende verhaal bieden. Hiermee kan de echtgenoot voorkomen dat eigen goederen worden uitgewonnen. Door het aanwijsrecht wordt ook voorkomen dat onnodige vergoedingsvorderingen tussen de echtgenoten ontstaan.

Overnemingsrecht

Als een schuldeiser van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap zich verhaalt op goederen uit huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap, hebben de echtgenoten geen overnemingsrecht.

Dit in afwijking bij het verhaal op de goederen van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap door een privé-schuldeiser. In dat geval leidt het uitoefenen van het overnemingsrecht jegens een schuldeiser van een van de echtgenoten er wel toe dat een schuldeiser van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap zich niet meer kan verhalen op de helft van de opbrengst die in het eigen vermogen valt.

Ontbonden huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap

In het huwelijksvermogensrecht is de hoofdregel:

dat voor schulden van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap de draagplicht in principe bij de echtgenoten gezamenlijk ligt.

In de nieuwe wet blijft deze hoofdregel van toepassing bij de ontbinding van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.

Maar als de schulden groter zijn dan de ontbonden gemeenschap en daarmee de ontbonden gemeenschap ontoereikend is om alle schulden te voldoen. Dan worden de schulden gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel. Met andere woorden beide echtgenoten moeten dan ieder de helft betalen.

De wet geeft daarbij wel aan dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, als gevolg van de aard van de schulden, een andere draagplicht dan de hoofdregel kan voortvloeien.

De ‘aard van de schuld’ wordt door de wetgever als volgt toegelicht: “Men denke daarbij aan het geval dat een echtgenoot veel schulden is aangegaan buiten medeweten van de andere echtgenoot of indien een echtgenoot schulden is aangegaan om onverantwoorde uitgaven te doen.

Deze laatste toelichting door de wetgever zal naar mijn verwachting in het kader van een echtscheiding door de advocaten regelmatig naar voren worden gebracht.

Overnemingsrecht

Ook kan echtgenoot B onder de nieuwe wet het uitwinnen van (bepaalde) goederen die aan de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap toebehoren voorkomen door deze goederen over te nemen tegen betaling van de helft van de waarde uit zijn eigen vermogen.

Het overnemingsrecht kan uitgeoefend worden als een privé-schuldeiser van A verhaal zoekt op een goed van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.

Na de overneming behoren de overgenomen goederen tot het eigen vermogen van de echtgenoot B; en zijn daarmee buiten het bereik van de privé-schuldeisers van A.

De wetgever heeft tijdens de behandeling van de wet aangegeven dat het uitoefenen van het overnemingsrecht geen verdeling is. Bij een onroerende zaak zou dan overdrachtsbelasting verschuldigd zijn, omdat het dan niet binnen de vrijstellingen valt. Het lijkt in de rede te liggen dat er een aanpassing komt van de wet op dit punt, zodat deze verkrijging buiten de heffing van de overdrachtsbelasting valt.

Het recht van overneming geldt alleen bij het uitwinnen door privé-schuldeisers van goederen die behoren tot de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap. In de meeste situaties wordt een privé-schuldeiser door de echtgenoot A zelf voldaan met geld uit de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap. In dat geval ontstaat er ook volgens de nieuwe regeling een vergoedingsplicht van echtgenoot A jegens de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.


COLUMN MEI – HUWELIJKSE VOORWAARDEN IN DE WET OF TOCH NIET ( DEEL III )

Verhaal privéschuldeisers op huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap

In mijn vorige bijdrage heb ik geprobeerd aan te geven dat de nieuwe beperkte gemeenschap toch wel een aantal bijzondere regels kent. Vandaag begin ik met in kaart brengen van de gevolgen voor:

Verhaal privéschuldeisers

De nieuwe wet wijzigt het verhaal van de schuldeisers van een van de echtgenoten (een prive-schuldeiser en daarmee niet in de gemeenschap vallende schuld) op de goederen van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.

Schulden die volgens art. 1:94 lid 7 BW (nieuw) niet in de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap vallen zijn de schulden die:

  • betrekking hebben op van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap uitgezonderde goederen, zoals: voorhuwelijkse goederen van één van de echtgenoten, goederen verkregen krachtens schenking of krachtens erfrecht.
    Als gevolg van de beperking van de omvang van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap zullen vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet meer schulden gaan behoren tot het eigen vermogen van de echtgenoten;
  • zijn ontstaan door gedane giften, gemaakte bedingen en aangegane omzettingen als bedoeld in art. 4:126 lid 1 en 2, onder a en c BW door een van de echtgenoten ;
  • op de echtgenoot als erfgenaam zijn overgaan en andere schulden van de nalatenschap.

Op dit moment kan een schuldeiser van echtgenoot A zich verhalen op het prive-vermogen van A en op alle goederen van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.

Dit kan alleen door de andere echtgenoot, B, worden voorkomen als door B, prive-goederen van A worden aangewezen, die voldoende verhaal beiden (dit heet het aanwijsrecht).

In de nieuwe wet wordt het verhaal op de goederen van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap door privé-schuldeisers beperkt tot de helft van de opbrengst van het uitgewonnen goed.

De andere helft van de opbrengst komt toe aan echtgenoot B en valt in diens eigen vermogen.

Het idee achter deze regeling is dat echtgenoot B wordt beschermd tegen de privé-schuldeisers van echtgenoot A . Op deze wijze wordt het ontstaan van vergoedingsvorderingen voorkomen en wordt het verhaalrisico bij echtgenoot B verminderd.

Overnemingsrecht

Ook kan echtgenoot B onder de nieuwe wet het uitwinnen van (bepaalde) goederen die aan de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap toebehoren voorkomen door deze goederen over te nemen tegen betaling van de helft van de waarde uit zijn eigen vermogen.

Het overnemingsrecht kan uitgeoefend worden als een privé-schuldeiser van A verhaal zoekt op een goed van de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.

Na de overneming behoren de overgenomen goederen tot het eigen vermogen van de echtgenoot B; en zijn daarmee buiten het bereik van de privé-schuldeisers van A.

De wetgever heeft tijdens de behandeling van de wet aangegeven dat het uitoefenen van het overnemingsrecht geen verdeling is. Bij een onroerende zaak zou dan overdrachtsbelasting verschuldigd zijn, omdat het dan niet binnen de vrijstellingen valt. Het lijkt in de rede te liggen dat er een aanpassing komt van de wet op dit punt, zodat deze verkrijging buiten de heffing van de overdrachtsbelasting valt.

Het recht van overneming geldt alleen bij het uitwinnen door privé-schuldeisers van goederen die behoren tot de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap. In de meeste situaties wordt een privé-schuldeiser door de echtgenoot A zelf voldaan met geld uit de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap. In dat geval ontstaat er ook volgens de nieuwe regeling een vergoedingsplicht van echtgenoot A jegens de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.


COLUMN MEI – HUWELIJKSE VOORWAARDEN IN DE WET OF TOCH NIET ( DEEL II )

ONDERNEMINGSVERMOGEN


In mijn vorige bijdrage heb ik geprobeerd aan te geven dat de nieuwe beperkte gemeenschap toch wel een aantal bijzondere regels kent. Vandaag begin ik met in kaart brengen van de gevolgen voor:

het Ondernemingsvermogen

Zoals eerder aangegeven is het uitgangspunt van de beperkte huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap, hierna: “gemeenschap”, dat wat tijdens het huwelijk aan inkomen wordt verworven in de gemeenschap valt. Maar voor het inkomen uit ondernemingsvermogen is een eigen regeling opgenomen in de nieuwe wet.

Of het inkomen uit ondernemingsvermogen in de gemeenschap valt, zal eerst moeten worden vastgesteld of het ondernemingsvermogen in de gemeenschap valt. De volgende beginselen kunnen daarbij worden gehanteerd:

  • Als een van de echtgenoten tijdens het huwelijk een onderneming is gestart, dan behoort het ondernemingsvermogen tot de gemeenschap.
  • Als het ondernemingsvermogen tot het voorhuwelijkse vermogen behoort of tijdens het huwelijk krachtens erfrecht of gift is verkregen dan valt het ondernemingsvermogen niet in de gemeenschap. Een aandeel in een personenvennootschap blijft door verknochtheid ook buiten de gemeenschap. Maar de opvatting bestaat dat de waarde wel moet worden verrekend.
  • Op grond van de nieuwe wet is het mogelijk dat ondernemingsvermogen gedeeltelijk tot het eigen vermogen van de ondernemende echtgenoot behoort en gedeeltelijk tot de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap. Indien het eigen vermogen van een van de echtgenoten ondernemingsvermogen bevat, kan dit ondernemingsvermogen gedeeltelijk tot de gemeenschap gaan behoren als gevolg van de regeling van zaaksvervanging. Concreet kan dit gebeuren als de ondernemende echtgenoot goederen die tot zijn eigen ondernemingsvermogen behoren, gaat vervangen. Als de vervangen goederen vervolgens voor meer dan de helft zijn gefinancierd met gelden uit de gemeenschap, dan behoren deze goederen niet meer tot het eigen vermogen van de ondernemer, maar tot de gemeenschap.

Voorbeeld: A drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Hiervoor huurt hij een bedrijfspand. Vervolgens treedt A in het huwelijk met B. Op grond van de nieuwe wet valt het ondernemingsvermogen buiten de gemeenschap. Tijdens het huwelijk koopt A een bedrijfspand van € 300.000 dat grotendeels met geld uit de gemeenschap wordt gefinancierd. Bij de echtscheiding is het pand € 700.000 waard. Volgens de nieuwe wet behoort het pand tot de gemeenschap.

Het is dus van groot belang te weten of het ondernemingsvermogen tot het eigen vermogen van de ondernemende echtgenoot behoort of tot de gemeenschap.

Als goederen van de onderneming tot de gemeenschap behoren, dan betekent dit dat de andere echtgenoot zonder meer meedeelt in de waardestijging van deze goederen.

Dan komt men niet toe aan het vaststellen van de vergoedingsvorderingen die ontstaan op grond van de nieuwe wet. Als het pand niet in de gemeenschap valt, dan deelt de andere echtgenoot in principe niet mee in de waardeverandering. Er ontstaat in het gegeven voorbeeld wel een vergoedingsrecht ten voordele van de gemeenschap.

Niet duidelijk is of een nieuw verkregen goed wordt geacht tot het uitgesloten ondernemingsvermogen te behoren, tenzij het tegendeel wordt bewezen of dat ook in dit geval de bewijsregel opgenomen in de nieuwe wet geldt.


COLUMN APRIL – HUWELIJKSE VOORWAARDEN IN DE WET OF TOCH NIET

Misschien hebt u het mee gekregen, maar er komt waarschijnlijk met ingang van 1 januari 2018 een nieuw stelsel van huwelijksvermogensrecht. De wettelijke gemeenschap van goederen wordt beperkt. In plaats van de algehele gemeenschap van goederen komt er de beperkte gemeenschap van goederen.

Onder de nieuwe wet wordt de wettelijke gemeenschap van goederen beperkt tot:
–        het door beide echtgenoten gedurende het huwelijk opgebouwde vermogen
–        de goederen die vóór het huwelijk aan de echtgenoten samen toebehoorden
–        de schulden die vóór het huwelijk al samen zijn aangegaan of zijn aangegaan ten behoeve van een voorhuwelijks gezamenlijk goed, zoals de hypothecaire schuld voor financiering van de gezamenlijke woning.

Het grote verschil zit eigenlijk in het vermogen dat er al was voor het huwelijk, de ontvangen schenkingen en erfrechtelijke verkrijgingen. Er ontstaan bij het aangaan van een huwelijk minimaal drie vermogens die naast elkaar bestaan: het eigen vermogen van ieder van de echtgenoten én de huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap.

Als men wel de algehele gemeenschap van goederen wenst, dan moet dat expliciet bij huwelijkse voorwaarden worden geregeld. De nieuwe regeling geldt ook voor het geregistreerd partnerschap.

Tot zover de eenvoudige uitleg, maar wordt het dan allemaal makkelijker? Dit valt in de categorie: de vraag stellen is de vraag beantwoorden.

Want hoeveel mensen staan bij het aangaan van het huwelijk stil bij de bezittingen die zij op dat moment ieder al hebben. Weinig, denk ik zo maar als ik naar mijn praktijk kijk en toch zal het belangrijk zijn om dit wel duidelijk in beeld te hebben. Want als niet duidelijk is wat er bij het aangaan van het huwelijk aanwezig was, dan zal dat bij het einde van huwelijk behoorlijk wat problemen opleveren. In ieder geval zal het niet leiden tot minder procedures in geval van echtscheiding, is mijn voorzichtige schatting.

Ook kan de nieuwe wet leiden tot onverwachte vermogensverschuivingen: Een voorbeeld.

Twee mensen hebben in 2016 gezamenlijk een huis gekocht, in de verhouding 60%-40%. Ze besluiten te gaan trouwen. Zij hebben in 2016 bewust gekozen voor de 60%-40% verhouding. Daarom trouwen zij na de invoering van het nieuwe stelsel omdat dan de huwelijkse voorwaarden standaard in de wet staan, althans zo hebben zij dat begrepen. Het bezoek aan de notaris wordt achterwege gelaten, want dat is alleen maar duur en dat geld kan je beter gebruiken voor het huwelijksfeest. Zij trouwen daarom in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.

Maar wat gebeurt er nu als gevolg van het huwelijk.

Volgens de wet vallen de goederen die vóór het huwelijk al aan de echtgenoten samen toebehoorden wél in de huwelijksgemeenschap. Met andere woorden: het huis valt in de beperkte gemeenschap van goederen. Als gevolg van het huwelijk vindt er een, in dit voorbeeld ongewenste, vermogensverschuiving plaats. Bij echtscheiding zal blijken dat de echtgenoten op grond van art. 1:100 lid 1 Burgerlijk Wetboek ieder voor de helft tot het huis gerechtigd zijn, dit ongeacht hun bewuste 60% – 40% verhouding van vóór het huwelijk. Willen de echtgenoten deze vermogensverschuiving voorkomen dan zullen zij toch huwelijkse voorwaarden moeten maken.

Conclusie: De nieuwe beperkte gemeenschap van goederen is zeker niet hetzelfde als huwelijkse voorwaarden. Een bezoek aan de notaris voor het huwelijk kan verhelderend werken.


COLUMN MAART – MISSCHIEN DE OUDE SCHENKING HERROEPEN!

Sinds 1 januari van dit jaar kan er weer een belastingvrije schenking gedaan worden van € 100.000,–. Dit doet denken aan de schenkingsmogelijkheid die een paar jaar geleden bestond, maar er zijn veel verschillen en uitzonderingen waarop u moet letten, waarbij het overgangsrecht het allemaal niet makkelijker maakt.

Bij een schenking van € 100.000,– kunt u gebruikmaken van de vrijstelling als u aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  • Het geld is bestemd voor de koop of verbouwing van uw huis. Of voor de aflossing van uw hypotheek.
  • U, of uw partner, bent tussen de 18 en 40 jaar.
  • U gebruikt het geld vóór 1 januari 2020.
  • U gebruikte nog niet eerder een verhoogde vrijstelling voor een schenking van dezelfde schenker.
  • U kunt schriftelijk aantonen dat de schenking daadwerkelijk is betaald en dat u de schenking hebt gebruikt voor uw eigen woning.
  • U hebt in een schriftelijke overeenkomst vastgelegd dat er geen voorwaarden aan de schenking zitten, of dat de schenking vervalt als u het geld niet op tijd gebruikt voor uw eigen woning.

Deze vrijstelling geldt niet alleen voor schenkingen die u van uw ouders krijgt, maar ook voor schenkingen die u van anderen ontvangt.

Wat als u vóór 2010 of in 2015 of 2016 al gebruik hebt gemaakt van een verhoogde vrijstelling?

Dan kunt u misschien toch gebruikmaken van de verhoogde vrijstelling voor de eigen woning volgens het overgangsrecht.

Dit overgangsrecht geldt alleen voor schenkingen van ouders aan kinderen. Er kunnen 4 situaties gelden. In alle gevallen moet u, of uw partner, tussen de 18 en 40 jaar zijn en u moet het gehele bedrag gebruiken voor de eigen woning.

  1. U hebt vóór 2010 gebruikgemaakt van een eenmalig verhoogde vrijstelling, maar in de jaren 2010 tot en met 2016 niet van de verhoogde vrijstelling? Dan hebt u vanaf 1 januari 2017 eenmalig recht op maximaal € 27.650,– vrijstelling.
  2. Als 1, maar u hebt vervolgens in 2015 of in 2016 gebruikgemaakt van de aanvullende verhoogde vrijstelling van maximaal € 27.432 (2015) of maximaal € 27.570,– (2016). Dan kunt u in 2017 of in 2018 gebruikmaken van een vrijstelling van maximaal € 46.824,–.
  3. U hebt in 2015 voor het eerst gebruikgemaakt van de eenmalig verhoogde vrijstelling van maximaal € 25.322,– of € 52.752,–. U kunt kiezen om in 2017 of in 2018 gebruik te maken van een vrijstelling van maximaal € 46.824,–.
  4. U hebt in 2016 gebruikgemaakt van de eenmalige verhoogde vrijstelling van maximaal € 25.449,– of maximaal € 53.016,–. U kunt in 2017 of 2018 gebruikmaken van een vrijstelling van maximaal € 46.824,–.

Herroeping

De uitkomsten van de overgangsregeling leiden tot onverwachte resultaten. Er is echter een ontsnappingsmogelijkheid, namelijk het herroepen van de schenking. Voorwaarde is wel dan de mogelijkheid tot herroeping wel bij de schenking moet zijn bepaald. Het verdient aanbeveling om uw “oude”schenkingsakte door uw notaris te laten nakijken.